» Historie » Huis Hulkenstein 1835~1908 Een familiedrama

1940~11~22 - Arnhemse Courant

HET GESLACHT BRANTSEN

Een familiedrama bij Hulkestein
Johan Brantsen was het eerste kind van Derk Willem Abraham Brantsen en Gerardina Abigacl Agatha Brantsen. Hij werd geboren Zaterdag 5 Maart 1768 en op donderdag d.a.v. in de Groote Kerk te Arnhem gedoopt.
Den 25sten Januari werd hij bij resignatie van zijn oom Gerard Brantsen aangesteld tot burgemeester van Arnhem. Hij bevond zich ten tijde zijner aanstelling nog op de academie te Leiden, waar hij sedert Sept. 1784 geweest was en werd aldaar 23 Febr. 1788 tot doctor in de beide rechten gepromoveerd. Den 6den Maart, daags nadat hij zgn meerderjarigheid bereikt had, legde hij te Arnhem den eed als Schepen af.

Den 4den April 1788 werd hij inplaats van zgn oom Gerard aangesteld tot Raad Van het Jachtgericht in het quartier van Veluwe en den 3den Juli 1792 in plaate van den overleden Diederich van Lynden tot den Swaanenburgh benoemd tot commissaris van de monstering. Hij was in 1791, '92 en '93 ordinaria gecommitteerde ter vergadering van Hun’ Hoog. Mog. wegens Gelderland en was bij de geboorte van den erfprins Willem Frederik George Lodewgk van Oranje op den 6den Dec. 1792 president van de commissie van gemelde vergadering om Hunne Doorl. en Kon. Hoogheden daar mede geluk te wenschen en het peterschap aan te bieden. Vervolgens was hij ook president van de commissie, die den 28sten December d.a.v. bg den doop assisteerde, gelijk ook van de commissie, die 31 Dec. d.a.v. het pillegift namens H.H.M. overgaf en ter hand stelde. Bij de revolutie in Jan. 1795 werd hij van al zijn posten ontzet.
Hij ondertrouwde 3 Sept. 1802 te Arnhem en huwde Dinsdag 21 Sept, d.a.v. in Rheden met Mana Leopoldine Catharina van Hasselt, «eb. 25 Juli 1779 en oudste dochter van den Momboir Johan Conrad van Hasselt en Louisa Anthonla van Oyen.

Hij werd den 3den November 1802 door het Departementaal Bestuur van Gelderland aangesteld en beëdigd als Richter van Arnhem en Veluwenzoom en was uit dien hoofde president van alle ambtsbesturen in dit district (voormaals de ambtsjonkeren).
Op den 28 December 1805 werd hij door den secretaris van Staat voor de Financiën der Bataafsche Republiek, uit kracht van een stadsbesluit van 24 Dec., te voren bij gelegenheid van de Invoering der nieuwe algemeene belastingen, tevens benoemd tot substituut-Fiscaal van de middelen te lande in het Departement Gelderland, ressort Arnhem, doch hij bedankte en nam denzelven niet aan.
Den 6 October 1807 werd hij officier der Jagt in het 7e district en 9 Maart 1808 provisioneele procureur des Konings of Hoofdofficier van Arnhem. 21 Maart 1808 werd hij gkozen tot broeder van Sint Nicolai te Arnhem.

Uit zijn huwelijk werden verwekt 4 kinderen en wel een dochter (even na de geboorte overleden). Verder Gerardi na Diderica Willemina Agatha, geb. Vrijdag 13 Mei 1814 en 22 Mei des 's-avonds in de Groote Kerk te Arnhem gedoopt. De predicatie geschiedde door ds. Veltman en de Doop door ds. Post. Het kind werd ten doop gehouden door den vader. Hare grootmoeder, Gerardina Ablgaël Agatha Brantsen, stond als meter, over den doop en gaf het kind aan den Vader over, zooals zij het ook van denzelven terug ontving en aan de baker wederom overgaf.
Het derde kind was Johan Conrad Louis Anthony, geboren Vrijdag 23 Juni 1815 en 2 Juli d.a.v. 's avonds in de Groote Kerk te Arnhem gedoopt.
De predicatic geschiedde door ds. Boot en de Doop door ds. Overduin. Het kind werd ten doop gehouden door den vader. Zijne grootmoeder, Louisa Anthonia van Oijen, stond als meter over den doop. Op Zaterdag 22 Juni 1816 kwam eene dochter dood ter wereld.

Op 28 Februari 1811 werd Brantsen vicepresident en 14 Januari 1814 officier en 31 Januari 1814 president van de Rechtbank van Eersten aanleg in het Arr. Arnhem.
Den 22 Juli 1811 werd hij lid van den Municipalen Raad der stad Arnhem en den 25 Nov. 1811 curator der Latijnsche School, den 20 Maart 1812 president van de Canton na de Vergadering en door dezelve 19 Juli 1813 verkozen tot lid van het Departementaal Kiescollege van den Boven-IJseeL.
Hij was lid van de Vergadering der 600 Notabelen of aanzienlgken, welke 28 Maart 1814 over de grondwet voor den Staat werd gehouden te Amsterdam.
Den 25 Augustus 1814 werd hij luitenantcolonel commandant 2e Bataillon Landstorm in het quartier Arnhem en verwisselde 15 Mei met het 15e Bat. Rustende Schutterij aldaar.
Den 19 September 1814 werd hij lid van de Staten van Gelderland wegens Arnhem en 20 Oct. 1814 lid der Gedeputeerde Staten.
Hij werd 26 April 1815 commissaris van het le District om de rustende schutterijn te organiseeren in de militiecantons Arnhem en Velp.
Hij was lid van de Buitengewone Vergadering der Staten Generaal in dubbeltal, welke 8 Augustus 1815 in s-Gravenhage gehouden werd voor herziening der Grondwet bij occasie van de vereeniging van België met Holland.

Den 2 Januari 1816 werd hij Lid van den Raad van Arnhem en 8 Januari 1816 huismeester van het St. Peter-gasthuis en het Nieuwe Weeshuis.
Den 0 December 1816 werd hij Heemraad en lid van den Dijkstoel van het Arnhemmer en Velper Broek.
Bij K.B. van 26 Dec. 1823 werd hij benoemd tot president van de vergadering van Notabelen der Ned. Herv. Gemeente te Arnhem.
Den 1 Mei 1824 werd hij door den Koning verheven in den adelstand. Hij overleed Maandag 30 Mei 1825 op den huize Hulkestein, oud 57 jaren. Hij werd 3 Juni d.a.v. 's- morgens vroegtijdig met de gewone lijkkoets in de Groote Kerk te Arnhem in stilte begraven en gelegd in den grafkelder van de familie Brantsen, gemerkt 11, op het Binnenchoor, over de graftombe van den Hertog van Gelder en schietende tegen den muur, die het Binnenchoor van het achterste gedeelte van het Buitenchoor afscheidt.

Door een zeer treffend onheil werd de weduwe van het leven beroofd, oud 47 jaar, ter gelijkerijd met hare twee kinderen en dat op Zondag 6 Augustus 1826. Willende komen op een stoomvaartuig, dat een eersten tocht deed op den Rijn. Zij werd overgehaald om met een bootje’ aan boord van de stoomboot te komen: dit bootje werd overladen en begon water te scheppen en sloeg om. Van de zich daarin bevindende 11 personen werden er 4 gered.
Het lijk werd den 10en gevonden door een arbeider aan de overzijde, alwaar het met de gewone lijkkoets met 4 paarden bespannen en den 11en des morgens om half zeven gelegd in denzelfden kelder, waar baar man begraven is.
De dochter, oud 12 jaar. werd gevonden op de hoogte van Renkum, verscheidene dagen daarna.De zoon, oud 11 jaar, werd gevonden nabij Hulkestein.
Beide kinderen werden begraven bij de ouders.

Bij dit ongeval verloren ook het leven:
  • 2 kinderen Weerts, oud 14 en 7 jaar.
  • W. Kuyk, kolonel, commandant 13e afdeellng N.M.
  • Jhr. Mr. J. A. A. W. van Rappard, wethouder.
Bij Souverein Besluit van 22 Dec. 1813 art. 3 werd het begraven in de kerken weer toegestaan; dit besluit werd ingetrokken bij besluit van G. S. van Gelderland van 5 Sept. 1827 (Provinciaal Blad van 1827 No. 97), met ingang van 1 Januari 1829. Na die datum mocht niet meer in de kerken worden begraven.

J. G. A. VAN HOGERLINDEN.